Lillo Overstroming 1953

Index Foto's SUPERTIP: ONZE HUIFKARTOCHTEN. Rondleidingen Poldermuseum Agenda Linken Getijden Horeca

Voor rondleidingen contacteer: Werner Bril. Gsm: +32 (0) 4 77 55 41 48.


U heeft vragen, wenst ons te boeken?

E-mail ons hier

"1953, DE DIJKEN BREKEN TE LILLO FORT"



Het overstroomde gebied langs de Schelde tot Rotterdam.



64 jaar na datum. Atv herdenkt de dijkbreuken in 1953. Volgens Schepen van cultuur Rudi Sempels, en tijdens een gesprek met uw webmaster op 2-11-2013, zou de haven van Lillo zeker niet verdwijnen voor 2020.
(Bron: Districtschepen: Rudi Sempels.)



DE DIJKEN BREKEN, IEDEREEN NAAR BOVEN

Hoe kon het gebeuren,

De watersnood van 1953, thans aangeduid als de watersnoodramp, en aanvankelijk ook wel als Sint-Ignatiusvloed of in Nederland de Beatrixvloed genoemd, gebeurde tijdens de nacht van zaterdag 31 januari op zondag 1 februari 1953. Met deze naam werd een traditie gevolgd om grote overstromingen in het Deltagebied te vernoemen naar de dag van de Rooms-katholieke heiligenkalender. Onder meer de Sint-Elisabethsvloeden van 1404, 1421 en 1424, en de Allerheiligenvloeden van 1532 en 1570 zijn hier voorbeelden van. De naam 'Sint-Ignatiusvloed' vond echter geen algemene ingang en zijn naamdag was tot 1969 op 1 februari maar sinds 1969 op 17 oktober. Protestants-christelijken spraken aanvankelijk liever van Beatrixvloed, omdat de watersnood plaatsvond in de nacht na de vijftiende verjaardag van prinses Beatrix. Deze tweede naam maakte nog minder opgang. Stormramp was een meer zakelijke term, maar te weinig specifiek. Later werd steeds vaker van van 'de Watersnoodramp' gesproken, en in mindere mate van 'de Watersnood'. Een stormvloed zoals deze in 1953 kan extra gevaarlijk zijn, als hij samenvalt met de vloed, of nog erger, met een springvloed, het tweewekelijkse getij waarin het verschil tussen hoog- en laagwater het grootst is. De (spring)vloed wordt dan verhoogd met de stormvloed. Dit was de oorzaak van de watersnood van 1953.




Nog recentere stormvloeden hebben plaatsgehad op:

  • 3 januari 1976, bij Vlissingen (+394 cm extra waterhoogte). De ramp te Ruisbroek is ons nog steeds bekend.

  • 27 februari 1990 (+384 cm extra waterhoogte) Te Lillo ongeveer +200cm extra waterhoogte. Het haventerrein was nergens nog doorwaadbaar.

  • 28 januari 1994 (+387 cm extra waterhoogte).

Een zware noordwesterstorm stuwde het water in de trechtervormige Noordzee op tot recordhoogte. In Nederland begaven de dijken in het Deltagebied het op veel plaatsen en liepen een groot deel van de provincie Zeeland, de Zuid-Hollandse eilanden en delen van West-Brabant onder water. Ook op de rechteroever van de provincie Antwerpen braken dijken en hield de storm hevig tij. Zo werd Nederland en België in de nacht van zaterdag 31 januari op zondag 1 februari 1953 getroffen door een van de grootste natuurrampen uit hun geschiedenis, de grootste zelfs sinds 1570, de derde Allerheiligenvloed die het ontstaan van het ‘Verdronken land van Saeftinghe “ veroorzaakte. Niet alleen Nederland wordt getroffen door de vloedgolf. Ook in Engeland, België, Duitsland, Denemarken en Frankrijk breken dijken door. In België braken op 37 plaatsen dijken. Diverse kleinere en grotere steden aan de kust en langs de Schelde liepen (deels) onder. De binnenstad van Oostende stond geheel onder water, na doorbraak van de naburige zeedijk. Ook Antwerpen werd getroffen. Langs de kust en de Schelde vonden vele dijkverhogingen plaats na de watersnood.

Slachtoffers

Het juiste aantal slachtoffers definiëren en dan vooral in Nederland is een utopie. Vermisten en verdronkenen worden blijkbaar nogal eens samen vernoemd, of afhankelijk van de verschillenden onderzoekers en geïnterpreteerd naar eigen menig. De volgende cijfers geven dan ook een benadering van de waarheid weer.

  • In Nederland zouden ongeveer 1836 mensen het leven hebben gelaten ten gevolgen van de ramp.

  • België telde 28 slachtoffers waarvan 3 in het binnenland, te Lillo. De overige aan de kust.

  • Het verenigd Koninkrijk telde er 307.

Buiten deze lijst verdronken op zee tijdens de storm nog eens 224 mensen.

Dierlijk leed

Naast het aantal mensen dat slachtoffers wordt van de ramp. In Nederland alleen al komen er 20.000 koeien, 2.000 paarden, 12.000 varkens, 3.000 schapen en geiten en tienduizenden kippen, ganzen, konijnen, honden en katten om. Met name veel paarden weten zich echter toch nog te redden. Ze zijn goed bestand tegen het koude water en velen kunnen zich in veiligheid brengen op een dijk. Enkelen van hen staan twaalf dagen in het water, zonder eten en drinken maar overleven de watersnoodramp toch. In Engeland kwam de ramp als een grote verrassing. In Engeland werd 1.600 kilometer kust verwoest en kilometers dijk beschadigd, waardoor 1.000 vierkante kilometer aan land overstroomde en 30.000 mensen moesten geëvacueerd worden.


Militairen dichten de dijken.

Na ongeveer een week arriveren de Belgische militairen. De komst van de soldaten gaf moed en hoop, langzaam winnen zij terrein op de rivier. De zandzakjes worden gevuld en de doorbraak afgesloten. Opnieuw wint de mens het van de natuur. Na het slik en de smurry komen de tranen, de onmacht van de verloren familie en de kosten die vooral dan in Nederland duizenden deed emigreren. Voedsel, drinkwater en droge kledij werden een prioriteit.


Hulp is onder weg.

Door de vervuiling van de drinkwatervoorziening moest er in de polderdorpen een hulpactie worden georganiseerd zodat de vele slachtoffers die ware achtergebleven geen te kort hadden aan de noodzakelijke levensmiddelen en water. En die inzet kwam van overal, men schrijft zelfs dat ze groots was. Hieronder dan ook een aantal puntjes die in die dagen zeker en vast de ziel van de Poldernaren heeft verwarmt.

  • Vanuit Marche en Famenne ariveerde een delegatie, zij adopteerde Lillo en deelde voedsel uit aan de getroffen bewoners.
  • Berendrecht en Zandvliet kregen een zoet steuntje want de stad Tienen adopteerden de beide dorpen.
  • Het ganzenrijden reed dat jaar niet uit en de reeds in kas zijnde gelden met betrekking tot het keizerrijden werden gedoneerd om slachtoffers te steunen.
  • In Kapellen, Stabroek en Ekeren werden comités opgericht die na zeven weken de opbrengsten van hun activiteiten, ondersteund door de plaatselijke horeca, bundelden ten voordelen van de getroffen dorpen.

  • Maar ook Stabroek steunde Lillo, 1400 broden werden de eerste dagen verdeeld aan de getroffen bewoners. Die maandagmorgen werd 10.000 liter drinkwater in bussen getapt aan de brandweerkazerne te Stabroek. 1185 liter soep is uitgedeeld en 500 kg aardappelen verdeeld. De Lillose bevolking dankte dan ook voor de geleverde steun.

  • Ook via de Schelde werden hulpmiddelen aangevoerd. Flanderiaschepen (wiens oprichter uit Doel afkomstig was) bezorgden dan ook proviand en kleding.

OOGGETUIGEN VERTELLEN

Een laatste varkentje.

Als veertien jarig meisje was Maria de Lee, samen met haar moeder Maria Middelkamp op het beneden verdiep van het ouderlijk huis in de omwentelingstraat, ongerust over het verloop van de storm. Haar vader, in functie als poortwachter van de haven en zijn hele leven werkzaam op de Schelde geweest, kende als geen ander de natuurkracht van de stormvloed. Seconden beslissen over leven en dood, met immense kracht beukt het water tegen de dijken te Lillo.
De gebroeders De Lee beseffen dat er geen houden aan is en wanneer de dijk langzaam zich overgeeft aan de kracht van de Schelde lukt het hen nog om een aantal mensen naar hoger gelegen verdiepingen te bewegen. Als laatste en net op tijd brengt hij vrouw en kind naar boven enkele seconden later staat het water hoger dan de binnendeuren. Daar stopt die nacht de honger van de rivier. De dijken in Lillo braken op twee plaatsen, op enkele seconden stonden huizen tot aan het plafond onder water. Bomen werden tot achter het fort ontworteld. Scheepjes spoelden de straatjes in en bleven bij afgaand tij als door de Schelde uitgebraakte notendopjes liggen op voetpaden en straatstenen. Slik en smerig water spoelden doorheen het hele dorp. De wind blijft huilen, het tij keert en langzaam komt met het zonlicht de schade pas goed boven water. Lillo stink als een open riool. Alleen de tranen van de inwoners zijn doorzichtig. Hulp, wanneer komt hulp. De nachtelijke koude, angst en verdriet, het tekende de mensen die 1ste februari. Er was geen drinkwater meer te vinden. Overal waren de waterputten vervuild. Waterleiding was niet aanwezig en geen stoof of haard die branden kon. Evacueren was dan ook een noodzaak. Wat ook stopte met het daglicht was het gekruis van een jong varkentje dat eenzaam en verlaten op de kadavers van zijn stalgenoten tegen witgekalkte de vloed had overleefd. De landbouwer op het fort was werkelijk alles kwijt op zijn boerderij. Koeien, varkens, kippen en door ziekte ook de kracht opnieuw te starten. Zijn enige zoon zat pas een week bij het leger en hij was niet fysiek meer in staat de hele klus te klaren.

De Burgemeester, Koning en de Prinses.

Burgemeester Vic Franken, was net een week burgervader van Lillo toen de dijken braken. Het was zijn eerste taak om te zorgen dat zijn dorpsgenoten doorheen deze droeve periode kwamen. Zijn laatste in schil contrast van zijn eerste was afscheid nemen van zijn dorpelingen bij de afbraak van Lillo. Tijdens de eerste zitting van de crisisraad kreeg hij te horen dat Prinses Joséfine Charlote beneden op hem zat te wachten. Na het ontvangst grabbelde hij al zijn moed bij elkaar en vroeg de prinsen om een gunst. Een dorpsgenoot die zwaar ziek te bed lag, en wiens enige zoon kortelings was opgeroepen tot het vervullen van zijn legerdienst was niet in de mogelijkheid zijn bedrijf te beheren en te herstellen. Een Generaal die zich in de voetstappen van de Prinses bewoog verstijfde en wees in stokstijve houding de Prinsen op het feit dat zij niet diende te antwoorden op de vraag daar deze onwettig was. Er kwam geen antwoord van Prinses Joséfine. Een gevolg erop werd dus verwacht, tot, de militair in zijn dorp arriveerde. Hij kreeg ziekteverlof, zolang zelfs dat hij nooit meer 1 dag dienst heeft gedaan. Ook de jonge Koning Boudewijn bezocht de rampstreek en als laatste Lillo. Opnieuw was het de burgemeester die een rondleiding gaf. Over speciale gunsten in naloop van zijn bezoek zijn mij niets bekend.

Een ramp zoals deze vergeten de mensen niet snel, ze dragen het gebeuren hun hele levenmee. Wonen aan de oever van een rivier is dan ook niet alleen idelysch. Ze is en blijft altijd een ingedijkt natuurelement. Spijtig genoeg maakt een zo extreme hoge watertij bijna altijd slachtoffers tot gevolg. Ook in de Polderdorpen, meer specifiek in Lillo Fort, vielen 3 doden te betreuren. Een eveneens reeds overleden ex Lillonaar, Luc Grosfeld geeft hieronder een beeld van de belevenissen van die bewuste dag. Een dag die hij waarschijnlijk nooit is vergeten geweest, een van de slachtoffers was zijn eigen "Bomma".


"Wij zijn die dag niet meer gaan jagen"

27/01/2003 LILLO - FORT.Bron: Gazet van Antwerpen.


Luc Grosfeld (60) was een ventje van tien toen zijn bomma 'Joske' in café Scaldis in Lillo verdronk bij de watersnood. "Koning Boudewijn is achteraf nog een hand komen geven aan mijn bompa. Ik zou die dag samen met mijn pa en nonkel gaan jagen in de polder van Stabroek, maar dat is niet doorgegaan."
Luc Grosfeld nam nadien het café van zijn grootouders over. In Lillo spreken ze van het accident, als het over de dood van de waardin gaat. In de Antwerpse polder vielen in totaal drie doden. Het duurt even voor Luc Grosfeld op de naam van zijn grootmoeder kan komen. "Voor ons was het de bomma." Ze heette Josephine Baetens en was afkomstig uit Heist-op-den-Berg. De nacht van de ramp, kwam de douanier van wacht uit zijn huisje de dijk afgelopen. "Hij verwittigde de mensen in de Stroomstraat dat het een gevaarlijk giertij kon worden. Het woei en stormde, er stond al water in de straten. Mijn grootouders woonden boven hun café. Ze kwamen uit hun bed, om beneden nog iets te doen. Een paar flessen wijn droog zetten, werd achteraf in de kranten geschreven, maar dat weet ik niet met zekerheid."


Keldergat

Ze stonden juist op de trap om terug naar boven te gaan, toen de dijk doorbrak. Het water rolde als een muur het café binnen, in één keer tot tegen het plafond. Het groot raam werd door de klap naar binnen geslagen. Bompa greep zich aan de trap vast. Maar mijn bomma was nogal corpulent, ze kon zich niet vasthouden. Hij zag haar verdwijnen in de nacht. Alles was pikkedonker, want de elektriciteit lag uit."
Pas twee dagen later, bij het leegpompen van de kelders, hebben ze haar teruggevonden. Ze was het keldergat ingezogen. Voor hetzelfde geld hadden ze haar nooit meer teruggevonden."
Er was nog een tweede slachtoffer in Lillo, Roos Post. Zij sliep op het gelijkvloers omdat ze wat gehandicapt was. Verderop is er nog iemand in de beek gesukkeld en verdronken." "Wij zouden die morgen gaan jagen. Mijn vader was tandtechnicus in Antwerpen. Wij stonden aan de Blauwhoef in Stabroek toen de politie ons tegenhield. Naar Lillo kunt ge niet door, klonk het. Mijn vader is zo ver gereden als hij kon. Later op de dag vernamen we dat de bomma vermist was. We zijn die zondag niet gaan jagen. Dat beeld van de caféstoelen die in de luchters hingen, zie ik nog voor me." Tegen Pasen ging de Scaldis weer open, goed verbouwd. Luc verhuisde met zijn ouders van de stad naar Lillo, om bompa bij te staan in de zaak. Luc heeft zelf een jaar gevaren. "Als het 's nachts stormt, trek ik mijn jas aan en ga ik op de dijk staan. Niet uit schrik, maar omdat ik de Schelde zo machtig vind. Die stroom met die getijden intrigeert mij. De Schelde is machtiger dan de zee. Ik heb liever dat het overstroomt, dan dat het brandt. Want als het brandt, heb je niks meer. In een overstroomd huis kan je nog altijd terug gaan wonen.

Tekst: Kristin MATTHYSSEN


Ne klotsende ketel

Op de kruisweg te Lillo sliepen mijn ouders in hun net gebouwde stulpje. Mijn vader, die gewekt word door een onbekend geluid in huis, wil het licht aansteken in de slaapkamer maar komt al snel tot de conclusie dat er geen elektriciteit meer is. Nog steeds hoort hij een klongelend geluid dat van beneden komt. In het duister zoekt hij zijn weg naar de trap, daalt deze tree voor tree af en staat plots met de voeten in het ijskoud water. Een bijgehaalde kaars brengt het natte nieuws en geeft al snel ook de reden van het nog steeds aanhoudende geklingel. De moor (waterketel) die naast de kachel stond, deinde op en af waarbij hij steeds opnieuw tegen de stoof en de schouwmantel botste.
Het begin van een trieste periode. Maar een zaak stond als een paal boven water, de Poldernaren hielpen elkanders, ook mijn vader, samen met de omringende boeren en vrijwilligers bracht hij een aantal paarden vanuit de verdronken gebieden in veiligheid naar hoger gelegen plaatsen. De Polders stonden blank, het erkennen van weiland, gracht of weg was bijtijds onmogelijk. Zij overleefden de tweede wereldoorlog en de meer dan 140 V-bommen die vielen op Lillo, het water in 1953 en werden Antwerpenaren in 1958 waarop het onteigeningsbriefje Volgde. Men zegt soms wel eens dat de Lillonaren een "NURS" volkje waren. Wat zou u denken van de reden, als die er al zou geweest zijn. Je zou voor minder.


"1976, Ruisbroek red Lillo."

Giertijen, springtijen, stormtijen, ze hebben een zelfde reactie bij de bewoners uit de polderdorpen van toen. Ze weten hoe onmeedogenloos de natuur kan zijn. Hoe dodelijk haar kracht is. En dank zij de miserie van de mensen in Ruibroek werden de Lillonaar op 3 januari 1976 gevrijwaard van een nieuwe waterramp. De dijkbreuk te Ruisbroek en omliggende dorpen deed die dag op het cruciale ogenblik in Lillo het water dalen. Gelukkig maar want in Lillo liepen golfjes reeds opgestuwd door de zware wind over de afsluitdijk van de haven in de vestinggracht. Het water dat toen nog ongeveer een half uur moest opkomen, had zeker de ondergang van Lillo Fort betekent. Gelukkig voor Lillo werd het fort niet opnieuw door haar gevaarlijkste buur ingenomen.


Die 3 januari 1976 was er toen in ons land eveneens een combinatie van springtij en zware storm. Daardoor braken in de provincie Antwerpen talrijke dijken en waren er in verscheidene dorpen grote overstromingen. Ruisbroek werd het zwaarst getroffen.
Op 3 januari 2006 besteedde het Tv-nieuws aan deze ramp aandacht.

FILMOPNAME: Bekijk de Vrt beelden over de doorbraak van Ruisbroek, 30 jaar na datum




VERKLARINGEN

Storm, springtij, vloed en andere benamingen die betrekking hebben met wat zich in 1953 in Lillo heeft afgespeeld zijn voor sommigen zeker onverslaanbaar , daarom gaan we een aantal even ontleden en verklaren.

Synodische maand.

Een synodische maand is de tijd tussen twee nieuwe manen. Deze maanmaand duurt 29,530588 kalenderdagen, dat wil zeggen: 29 dagen, 12 uren, 44 minuten en 28 seconden. Het verschil tussen een synodische en een siderische maand is dat de duur van een synodische maand niet wordt berekend aan de hand van steeds terugkerende posities van de maan aan de hemelbol ten opzichte van de (ogenschijnlijk) vaste sterren. In plaats daarvan wordt bij het bepalen van de duur van een synodische maand rekening gehouden met het feit dat de Aarde één maal per jaar om de Zon draait. Een synodische maand duurt daarom ongeveer 1/12e langer dan een siderische.

Springtij en doodtij

In een synodische maand van 29 dagen, 12 uur en 44 minuten staan de Zon, de Aarde en de Maan tweemaal op één lijn – bij volle en nieuwe maan. Hierbij versterken de getijdenkrachten van de Maan en Zon elkaar en treden er hogere hoogwaterstanden en lagere laagwaterstanden op. Dit is springtij. Bij het eerste en laatste kwartier verzwakken de getijdenkrachten elkaar en treden er minder hoge hoogwaterstanden en minder lage laagwaterstanden op. Dit is doodtij

Doodtij

is de periode van het getij waarin het verschil tussen hoog- en laagwater minimaal is. Het hoogwater is dan minder hoog dan gemiddeld en het laagwater is minder laag dan gemiddeld. Doodtij treedt eens in de ongeveer 14 dagen op en volgt gemiddeld ruim twee etmalen op het moment dat de getijde krachten van de maan en de zon haaks op elkaar staan en elkaar daardoor verzwakken. Dat laatste is het geval wanneer de zon en de maan ten opzichte van de aarde een min of meer loodrechte hoek met elkaar maken, dus tijdens eerste- en laatste kwartier van de maan. Doodtij treedt daarom tweemaal per synodische maand op.
Doodtij is het tegenovergestelde van springtij. Het moment dat opkomend water overgaat in afgaand water, of omgekeerd, en waarbij de stroomsnelheid enige tijd minimaal is, heet de kentering, en heeft niets met doodtij te maken.

Springtij

is de periode van het getij waarin het verschil tussen hoog- en laagwater het grootst is. Niet alleen het hoogwater is dan hoger dan gemiddeld, het laagwater is dan ook lager dan gemiddeld. Springtij treedt eens in de ongeveer 14 dagen op en volgt gemiddeld ruim twee etmalen op het moment dat de getijde krachten van de maan en die van de zon dezelfde richting hebben en elkaar maximaal versterken. Dat laatste is het geval wanneer zon, maan en aarde in een rechte lijn staan, dus tijdens nieuwe maan en volle maan. Springtij komt daarom tweemaal per synodische maand voor.
Springtij is dus het tegenovergestelde van doodtij.

Stormvloedramp

De watersnood op 1 februari 1953 werd veroorzaakt door een stormvloed als gevolg van een zware noordwesterstorm, in combinatie met springtij.

Stormvloed

Een stormvloed is het opstuwen van zeewater door stormwinden. Hoge windsnelheden behorende tot een storm kan zeewater opstuwen tot een hoger zeeniveau dan normaal. De lage druk in de kern van de stormdepressie of tropische cycloon kan het effect licht versterken. Als de stormvloed de kust bereikt kan zij nog aangroeien, omdat de zee ondieper wordt, zoals dat ook bij een tsunami gebeurt; bij een tsunami is dit effect echter veel sterker, omdat bij een tsunami al het water van het zeeoppervlak tot de bodem in beweging wordt gezet, in tegenstelling tot stormen, waarbij alleen de oppervlakkige lagen van de zee worden bewogen.
Een stormvloed kan extra vervelend zijn, als hij de kust bereikt samenvallend met de vloed (of nog erger springvloed). De (spring)vloed wordt dan verhoogd met de stormvloed. Dit was de oorzaak van de watersnood van 1953. Tropische cyclonen gaan vaak gepaard met stormvloeden, die echter hun energie langer behouden. Zo kan een orkaan die van de vijfde categorie naar de tweede categorie verzwakt is, nog lange tijd een stormvloed genereren van de vierde- of vijfde categorie. (Vergelijk het maken van een draaikolk in een emmer water door hard te roeren. Als men stopt met roeren blijft het water nog enige tijd kolken.) De stormvloed wordt verder bepaald door de hoek tussen de windrichting en de kust. Wanneer de wind loodrecht op de kust staat, is de stormvloed het hoogst. De laatste waarschuwing voor een stormvloed in Nederland was op 8 november 2007

Ontstaan van een storm

Storm kan in Nederland en België het hele jaar door voorkomen, maar de kans op een flinke storm die geruime tijd woedt is het grootst in de periode oktober tot en met maart. De temperatuurverschillen tussen het noordelijke en zuidelijke deel van het Noordelijk Halfrond zijn dan het grootst, waardoor ook de luchtdrukverschillen groot zijn en actieve depressies ontstaan. Wanneer de atmosfeer eenmaal onrustig is kan met een krachtige westelijke luchtstroom op 9 tot 10 kilometer hoogte in de atmosfeer (straalstroom) de ene stormdepressie na de andere onze kusten bereiken. Er kan dan soms twee weken achtereen herhaaldelijk tot stormachtig weer komen.
Hoe zwaar een storm wordt is niet zozeer afhankelijk van de luchtdruk die de depressie in het centrum van de storm bereikt, maar wordt vooral bepaald door grootte van de luchtdrukverschillen in de omgeving van dat centrum. Een lage barometerstand zal daarom niet altijd leiden tot storm. Bij een snelle verandering van de luchtdruk neemt de wind meestal wel flink toe. Het gebied met de grootste luchtdrukverschillen en de krachtigste wind ligt meestal ten zuidwesten of ten westen van de stormdepressie. De zwaarste stormen in Nederland en België worden dan ook veroorzaakt door depressies die over de Noordzee koersen. Trekt de kern van de depressie juist ten zuiden langs dan passeert het windveld ook ten zuiden en blijft de zuidwesterstorm uit. Door een kleine koersverandering van de depressie kan de storm Nederland of België dan ook op het laatste moment missen. Een dergelijke wijziging of een toename van de storm wordt vaak pas op het laatste moment duidelijk. De meteorologen volgen de ontwikkelingen van een storm dan ook op de voet en passen de weersverwachtingen aan als daar aanleiding toe is.

Storm (wind)

Storm is een zeer harde wind binnen een grootschalig weersysteem, een depressie. Het gebied binnen een depressie waar stormkracht heerst noemen we stormveld. Storm is gedefinieerd als wind met een windkracht van 9 of meer op de schaal van Beaufort. Dat betekent dat de gemiddelde snelheid van de wind gedurende 10 minuten een snelheid bereikt van ten minste 75 km/h. Is de windsnelheid gemiddeld over 10 minuten ten minste 90 km/h dan wordt gesproken van zware storm, windkracht 10. Bij een gemiddelde snelheid van 103 km/h spreekt men van zeer zware storm, windkracht 11.

Noordwesterstorm

Een noordwesterstorm is extra gevaarlijk in Vlaanderen, Nederland en Noord-Duitsland omdat daardoor het water in de Noordzee wordt opgestuwd.
De combinatie van noordwesterstorm met springtij is verantwoordelijk geweest voor verschillende grote overstromingen in Nederland. (waarvan enkele eveneens de nodige schade hebben aangericht in België). Onder andere waren dat:

  • de tweede Sint-Elisabethsvloed (1421).
    Een hardnekkig misverstand wil dat de Biesbosch door deze stormvloed in één nacht is ontstaan. Bij deze vloed in de nacht van 19 op 20 november braken weliswaar de dijken van de toenmalige Groote of Hollandsche Waard, maar het duurde nog enige tientallen jaren voor het gehele gebied onder water stond en de Biesbosch met zijn kreken en riet vormde.
  • de stormvloed van 1682.
    De Stormvloed van 1682 op 26 januari 1682 trof het Delta-gebied van Zuidwest Nederland en Vlaanderen. Door een combinatie van springtij en noordwesterstorm ontstonden op veel plaatsen overstromingen. In Zeeland overstroomden 161 polders. De dorpen Valkenisse en Bommenede verdronken, alsmede het nabij Valkenisse gelegen Fort Keizershoofd en het nabij Retranchement gelegen Fort Oranje. Op Goeree-Overflakkee verdrinken 22 personen. Te Dordrecht stort een molen met vluchtelingen in, waarbij 10 personen om het leven komen.
    de dramatische Kerstvloed van 1717.
    De Kerstvloed was het gevolg van een noordwesterstorm, die in de kerstnacht het kustgebied van Nederland, Duitsland en Scandinavië trof. In totaal verdronken ca. 14.000 mensen. Het was de laatste grote overstroming in Noord-Nederland.Het water reikte tot de stad Groningen en ook tot onder andere Zwolle, Dokkum, Amsterdam en Haarlem. Veel dorpen die dicht bij zee lagen, zoals West-Vlieland en dorpen achter de zeedijken in Groningen, werden volledig verwoest.
  • Stormvloedramp van 1953
    De watersnood in Zuidwest-Nederland op 1 februari 1953 was tijdens springtij maar werd veroorzaakt door een combinatie met stormvloed als gevolg van een zeer diepe depressie (Lagedrukgebied, een gebied met relatief lage luchtdrukken) een zware noordwesterstorm. Door de noordwesterstorm werd het water in de trechtervormige Zuidelijke Noordzee opgestuwd en door de lage luchtdruk kon het water nog eens hoger komen (1 cm per hPa). Het astronomische springtij van 1 februari 1953 was zelfs een relatief laag springtij omdat de maan op dat moment in de buurt van het apogeum (Het apogeum (spreek uit: apogee-um) is het punt in een baan rond de Aarde dat het verst van het zwaartepunt van de Aarde is, in het geval van de zon het aphelium,. Het tegengestelde punt heet perigeum.

  • Polderheem
  • Meerdere websites.

^ Naar boven      Website © Werner Bril.         Foto's © Werner Bril, 2005-2016 Alle rechtenvoorbehouden.   Gastenboek.